De Vlaamse minimumdoelen
Dit onderdeel geeft de Vlaamse minimumdoelen voor Nederlands weer. Minimumdoelen leggen nauwkeurig de inhoud en de opbouw van leerinhouden vast. Ze zijn rechtstreeks onderwijsbaar en apart evalueerbaar.
De minimumdoelen voor Nederlands beschrijven de leerinhouden die leerlingen binnen de taaldomeinen 'lezen', 'schrijven', 'mondeling taalgebruik', 'taalsysteem en taalgebruik' en 'literatuur' moeten verwerven.
Hoewel dit onderdeel alleen de minimumdoelen voor Nederlands weergeeft, steunen de eerder beschreven dimensies van taalcompetentie ook op de leerinhouden uit de andere vakdisciplines (Aardrijkskunde, Geschiedenis, ICT, Lichamelijke opvoeding, Muzische vorming, Wetenschappen en techniek, Wiskunde) en op leerinhouden binnen persoonsvorming, sociale vorming, leren leren en leerondersteunende vaardigheden. Samen vormen deze leerinhouden het fundament dat ervoor zorgt dat leerlingen taal optimaal en doelgericht kunnen gebruiken.
Lezen
Vlot en vloeiend lezen
De kleuters kunnen rijm herkennen, rijmwoorden bedenken en woorden in klankgroepen verdelen (fonologisch bewustzijn).
De leerlingen kunnen woorden lezen met behulp van inzicht in de morfologische opbouw.
De leerling kan onbekende woorden lezen met behulp van inzicht in de morfologische opbouw en kennis van leenwoorden.
De kleuters kunnen een bepaalde klank in gesproken woorden op verschillende posities herkennen (fonemisch bewustzijn).
De leerlingen kunnen accuraat en geautomatiseerd lezen (vlot lezen).
De leerling kan teksten expressief lezen.
De kleuters kunnen een variatie aan klanken in mk-, km- en mkm-woorden onderscheiden (fonemisch bewustzijn).
De leerlingen kunnen teksten accuraat, met gepast tempo en met intonatie lezen (vloeiend lezen).
De kleuters kunnen minimum 15 letters (korte, lange, tweetekenklinkers en medeklinkers) herkennen door de bijbehorende klank uit te spreken (klanktekenkoppeling).
De leerlingen kunnen teksten en boeken lezen met aandacht en doorzettingsvermogen.
Tekstbegrip
De kleuters kunnen de betekenis van eenvoudige visuele boodschappen begrijpen.
De leerlingen kunnen expliciet vermelde informatie in teksten weergeven.
De leerling kan expliciete en impliciete informatie uit een tekst combineren om tot een logische conclusie te komen.
De kleuters kunnen expliciete informatie over de situatie, de gevoelens, de personages en perspectiefname uit voorgelezen teksten halen.
De leerlingen kunnen informatie uit een tekst combineren om tot een logische conclusie te komen.
De leerling kan verbanden leggen tussen teksten en zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis.
De kleuters kunnen expliciete verbanden binnen een tekst verwoorden: oorzaak, gevolg, probleem en oplossing.
De leerlingen kunnen verbanden leggen tussen teksten en hun vakspecifieke kennis en voorkennis.
De leerling kan vergelijken hoe verschillende auteurs denken over eenzelfde onderwerp.
De kleuters kunnen verbanden leggen tussen voorgelezen teksten en hun vakspecifieke kennis en voorkennis.
De leerlingen kunnen beoordelen of de titel bij de tekst past.
De leerling kan beoordelen hoe een tekst zijn/haar standpunt wel of niet beïnvloedt.
De kleuters kunnen de belangrijkste gebeurtenissen uit een verhaallijn in eigen woorden navertellen.
De leerlingen kunnen verwoorden hoe de auteur denkt over het onderwerp van de tekst.
De leerling kan zich oriënteren op het lezen, tot leesbegrip komen en het lezen bijsturen door indien nodig relevante leesstrategieën te selecteren en te gebruiken.
De leerlingen kunnen verwoorden hoe een tekst aansluit bij het leesdoel.
De leerlingen kunnen zich oriënteren op het lezen, tot begrip komen en het lezen bijsturen door aangeleerde leesstrategieën te gebruiken.
Tekstsoorten en tekstconventies
De kleuters kunnen tonen dat ze de volgende tekstconventies begrijpen: inzicht in leesrichting, onderscheid tekst en beeld, congruentie tussen tekst en beeld.
De leerlingen kunnen tonen dat ze de volgende tekstconventies begrijpen: gebruik van interpunctie, hoofdletters, structuuraanduiders (verwijs-, verbindings- en signaalwoorden), titels, tussentitels en alinea's.
De leerling kan tonen dat hij/zij de volgende tekstconventies begrijpt: index, inhoudsopgave, legende, tabellen en figuren.
De kleuters kunnen tonen dat teksten een doel hebben: iets onthouden, iets doen, genieten.
De leerlingen kunnen tonen dat ze doelen van teksten herkennen aan de hand van tekstkenmerken.
De leerling kan doelen van teksten analyseren aan de hand van tekstkenmerken.
Schrijven
Handschrift en digitale vaardigheden
De kleuters kunnen een dynamische pengreep hanteren.
De leerlingen kunnen letters, woorden en zinnen schrijven tussen de grondlijn en hulplijnen.
De leerling kan vlot en regelmatig zonder hulplijnen schrijven op een enkele grondlijn.
De kleuters kunnen in een correcte schrijfhouding zitten.
De leerlingen kunnen kleine letters, hoofdletters, cijfers, reken- en leestekens volgens een correcte route schrijven binnen een volledige liniatuur.
De leerling kan het schrijftempo en de vormgevingskwaliteit op elkaar afstemmen.
De kleuters kunnen rechte en gebogen lijnen maken binnen liniatuur.
De leerlingen kunnen een regelmatig handschrift hanteren met de juiste spatiëring binnen en tussen woorden.
De leerling kan een digitale tekst schrijven.
De kleuters kunnen schrijfpatronen maken binnen liniatuur.
De leerlingen kunnen de kantlijn en witruimtes hanteren in schriften.
De kleuters kunnen egaal binnen de lijntjes kleuren.
De kleuters kunnen arceren met rechte lijnen.
De kleuters kunnen de schrijfrichting hanteren.
Correct schrijven
De leerlingen kunnen de volgende categorieën van woorden spellen:
- woorden met een hoofdletter: persoonsnamen, titels van boeken en films, aardrijkskundige namen, feestdagen, talen en taalvariëteiten;
- woorden met gedekte en vrije klinkers in open en gesloten lettergrepen;
- woorden met een doffe klank in: open en onbeklemtoonde lettergrepen; voor- en achtervoegsels; -eren, -elen, -enen; frequente woorden;
- woorden met tweetekenklanken: ei, ij, ou, au, eu, ui;
- woorden met lettergroepen: aai, oei, ooi, eeuw, ieuw;
- woorden met meerdere medeklinkers vooraan, in het midden, en achteraan;
- woorden met medeklinkers eindigend op -b, -p, -d, -t, -g;
- woorden met -ng en -nk;
- woorden met -ch/-g;
- meervouden op -s, 's, -en, -eren;
- verkleinwoorden op -je, -tje, -etje, -pje, -kje.
De leerling kan de volgende categorieën van woorden spellen:
- woorden met hoofdletters: afleidingen van aardrijkskundige namen, namen van historische gebeurtenissen, namen van bedrijven, gebouwen en merken;
- woorden die anders uitgesproken worden dan geschreven;
- woorden met vrije klinkers ee, o, u, ie, i, oe, ai, in een open of gesloten lettergreep;
- woorden met de achtervoegsels -isch(e), -air(e), -iaal, -eaal, -ueel, -ieel;
- vakspecifieke woorden uit het Latijn of Grieks;
- onregelmatige verkleinwoorden;
- meervouden op -ie en -ee;
- afwijkende meervouden;
- frequent gebruikte afkortingen, initiaalwoorden en letterwoorden;
- frequent gebruikte woorden met koppelteken, apostrof, trema en accent.
De leerlingen kunnen spellingregels bij werkwoorden in de tegenwoordige tijd toepassen.
De leerling kan spellingregels toepassen bij frequente werkwoorden in tegenwoordige, verleden, voltooide en toekomende tijd.
De leerlingen kunnen zwakke en sterke werkwoorden in de (on)voltooid verleden tijd spellen.
De leerling kan samengestelde zinnen en teksten schrijven met aandacht voor zinsstructuur, gebruik van hoofdletters en interpunctie.
De leerlingen kunnen zinnen en teksten schrijven met aandacht voor zinsstructuur, gebruik van hoofdletters en interpunctie.
Schrijven om te leren
De kleuters kunnen door middel van tekenen, krabbels, symbolen, letter- of cijfervormen ideeën of gebeurtenissen vastleggen.
De leerlingen kunnen kernwoorden, schema's of eenvoudige lijstjes noteren om teksten of mondelinge informatie uit vakdisciplines te onthouden of te ordenen.
De leerling kan het kernidee van teksten of mondelinge informatie uit vakdisciplines in eigen woorden formuleren.
De leerlingen kunnen teksten of mondelinge informatie uit vakdisciplines samenvatten in korte zinnen.
De leerling kan een samenvatting schrijven met een kernidee, argumenten en relevante details.
De leerling kan bij vakdisciplines gestructureerde aantekeningen maken met kernwoorden.
Schrijven om te delen
De kleuters kennen de functie van schriftelijke taal om te informeren of te communiceren.
De leerlingen kunnen met behulp van enkele gepaste tekstkenmerken specifieke teksten formuleren.
De leerling kan met behulp van enkele gepaste tekstkenmerken specifieke teksten formuleren.
De kleuters kunnen ideeën aanbrengen voor een tekst vanuit aangeboden inhouden, eigen ervaringen of creatieve ideeën.
De leerlingen kunnen bedenken wat de inhoud van een tekst kan zijn en hiervoor gebruikmaken van hun vakspecifieke kennis en voorkennis.
De leerling kan bedenken wat de inhoud van een tekst kan zijn en hiervoor gebruikmaken van zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis en relevante strategieën: brainstorm, vragen stellen en associëren.
De leerlingen kunnen ideeën verzamelen en ordenen voor een tekst via een woordspin of schema.
De leerling kan ideeën verzamelen en ordenen voor een tekst en hierbij indien relevant een plan of structuur opstellen.
De leerlingen kunnen teksten schrijven met aandacht voor gepaste inhoud.
De leerling kan teksten schrijven met aandacht voor gepaste en samenhangende inhoud.
De leerlingen kunnen structuur in een tekst aanbrengen: begin, midden en slot.
De leerling kan een herkenbare en eenvoudige structuur aanbrengen in teksten met inbegrip van titels, tussentitels, alinea's en structuuraanduiders (verwijs-, verbindings- en signaalwoorden).
De leerlingen kunnen teksten schrijven met aandacht voor woordkeuze en zinsconstructies afgestemd op het beoogde publiek.
De leerling kan een doelgerichte formulering hanteren met variatie in zinsbouw en gepaste woordkeuze met gebruik van figuurlijk taalgebruik en een gepast register afgestemd op het beoogde publiek.
De leerlingen kunnen teksten schrijven met een verzorgde tekstopmaak aangepast aan het tekstdoel.
De leerling kan kritisch reflecteren op teksten en ze op aanwijzing herschrijven.
De leerlingen kunnen teksten herlezen en op aanwijzing herschrijven.
De leerling kan teksten schrijven met een verzorgde (digitale) tekstopmaak in functie van verzenden of publiceren.
De leerlingen kunnen teksten schrijven met aandacht en doorzettingsvermogen.
De leerling kan het schrijfproces met aandacht en doorzettingsvermogen doorlopen.
Mondeling taalgebruik
Luisterbegrip
De kleuters kunnen met aandacht luisteren.
De leerlingen kunnen expliciet vermelde informatie in teksten weergeven.
De leerling kan expliciete en impliciete informatie uit een tekst combineren om tot een logische conclusie te komen.
De kleuters kunnen gepast reageren op vragen en instructies.
De leerlingen kunnen informatie uit een tekst combineren om tot een logische conclusie te komen.
De leerling kan verbanden leggen tussen teksten en zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis.
De kleuters kunnen vragen stellen om meer informatie te krijgen en om te controleren of ze de boodschap begrepen hebben.
De leerlingen kunnen verbanden leggen tussen teksten en hun vakspecifieke kennis en voorkennis.
De leerling kan vergelijken hoe verschillende auteurs denken over eenzelfde onderwerp.
De kleuters kunnen op een voorgelezen verhaal reageren door voorspellingen te maken, vragen te stellen of verbanden te leggen met hun vakspecifieke kennis en voorkennis.
De leerlingen kunnen verwoorden hoe de auteur denkt over het onderwerp van de tekst.
De leerling kan beoordelen hoe een tekst zijn/haar standpunt wel of niet beïnvloedt.
De leerlingen kunnen verwoorden hoe een tekst aansluit bij het luisterdoel.
Spreken, presenteren en vertellen
De kleuters kunnen verstaanbaar spreken met aandacht voor uitspraak van klanken, klankcombinaties en volume.
De leerlingen kunnen voorafgaand aan het vertellen en presenteren inhoud verzamelen en structureren onder begeleiding.
De leerling kan bij het spreken gepaste woordkeuze en complexere zinsconstructies gebruiken.
De kleuters kunnen bij het spreken mededelende, vragende en samengestelde zinnen hanteren.
De leerlingen kunnen verstaanbaar spreken met aandacht voor uitspraak van het Standaardnederlands en zinsaccent.
De leerling kan ideeën, gedachten en verworven inzichten gestructureerd formuleren.
De kleuters kunnen gedachten en gebeurtenissen formuleren met een aanzet tot volgorde en tonen hierbij een aanzet tot het gebruik van structuuraanduiders (verwijs-, verbindings- en signaalwoorden).
De leerlingen kunnen bij het spreken gepaste woordkeuze en correcte zinsconstructies gebruiken.
De leerling kan meningen beargumenteren op basis van zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis.
De kleuters kunnen in een vertrouwde omgeving over een zelfgekozen onderwerp vertellen.
De leerlingen kunnen ideeën, gedachten en verworven inzichten samenhangend formuleren.
De leerling kan voorafgaand aan het vertellen en presenteren inhoud verzamelen en structureren op basis van zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis.
De leerlingen kunnen meningen met argumenten onderbouwen op basis van hun vakspecifieke kennis en voorkennis.
De leerling kan bij het vertellen en presenteren een gepaste expressie en gepast register gebruiken.
De leerlingen kunnen bij het vertellen of presenteren afstemmen op het spreekdoel en het publiek.
De leerlingen kunnen bij het vertellen of presenteren gebruik maken van hulpmiddelen wanneer die de boodschap ondersteunen.
De leerlingen kunnen het spreken en presenteren op aanwijzing verbeteren.
Mondelinge interactievaardigheden
De kleuters kunnen actief deelnemen aan mondelinge interactievormen zoals kringgesprekken, samen spelen, gesprekken met gekende volwassenen en hierbij de volgende interactiestrategieën toepassen:
- op een gepaste manier het woord nemen en vragen;
- elkaar laten uitspreken;
- inspelen op wat anderen zeggen;
- standaardformules gebruiken bij het groeten, aanspreken, bedanken en vragen.
De leerlingen kunnen doelgericht deelnemen aan mondelinge interactievormen zoals dialoog, discussie en groepsgesprek en hierbij de volgende interactiestrategieën toepassen:
- inspelen op de inbreng van de gesprekspartner(s);
- informatie, argument of mening in het gesprek inbrengen.
De leerling kan doelgericht en genuanceerd deelnemen aan mondelinge interactievormen zoals dialoog, discussie en groepsgesprek en hierbij de volgende interactiestrategieën toepassen:
- voortbouwen op andermans ideeën;
- verbanden leggen tussen verschillende standpunten;
- argumenten bevragen en nuanceren;
- met ondersteuning tot een conclusie komen.
Taalsysteem en taalgebruik
Woordenschat
De kleuters kunnen basiswoordenschat en eenvoudige betekenisrelaties inzetten met betrekking tot de leefomgeving en de school.
De leerlingen kennen woordvorming: samenstellingen, afleidingen.
De leerling kent basisprincipes van betekenisrelaties: hyponiemen.
De kleuters kunnen aangeboden inhoudelijke en functionele school- en instructietaal inzetten binnen de context van de activiteiten en hun vakspecifieke kennis, voorkennis en ervaring.
De leerlingen kennen basisprincipes van betekenisrelaties: synoniemen, antoniemen en trappen van vergelijking.
De leerling kan formeel en informeel taalgebruik conform de context inzetten.
De kleuters kunnen onder begeleiding hun woordenschat uitbreiden.
De leerlingen kennen figuurlijk taalgebruik.
De leerling kan woorden genuanceerd en gepast inzetten met steeds hogere abstractiegraad en figuurlijk taalgebruik.
De leerlingen kunnen woorden genuanceerd en gepast inzetten.
De leerling kan actief op zoek gaan naar nieuwe woordbetekenissen en -relaties door gebruik te maken van woordleerstrategieën:
- vreemdetalenkennis inzetten;
- hulpbron inzetten.
De leerlingen kunnen aangeboden school-, instructie- en vaktaal hanteren in de vakdisciplines.
De leerlingen kunnen nieuwe woordbetekenissen en -relaties achterhalen uit gesproken en geschreven contexten door gebruik te maken van woordleerstrategieën:
- om verduidelijking vragen;
- belang van het woord in de tekst nagaan;
- vergelijken met een bekend woord;
- de context inzetten;
- de woordopbouw analyseren.
Taalsysteem (klanken, spelling, grammatica)
De kleuters kennen woord, woorddeel, klankgroep, rijm, klank, letter.
De leerlingen kennen klanken: korte, lange, tweetekenklinkers, medeklinkers en uitspraak.
De leerling kent spelling:
- interpunctietekens: dubbele aanhalingstekens, haakjes;
- woordtekens: trema, koppelteken, apostrof, accent, soorten afkortingen.
De kleuters kunnen basiselementen van het taalsysteem toepassen in taal(spel): klanken, klankgroepen, rijm, letter- en cijfersymbolen, klanktekenkoppeling, woorden.
De leerlingen kennen spelling:
- klanktekenkoppeling, letters, alfabetisch principe;
- interpunctietekens: punt, vraagteken, uitroepteken, komma, dubbele punt, spatie.
De leerling kent woorden:
- woordsoorten: voornaamwoord;
- werkwoordtijden: toekomende tijd, voltooid deelwoord.
De leerlingen kennen woorden:
- woordvorming: enkelvoud, meervoud en verbuiging, vervoeging, samenstelling, afleiding;
- woordsoorten: zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, lidwoord, telwoord, voorzetsel, voegwoord, werkwoord;
- werkwoordstijden: tegenwoordige tijd, verleden tijd.
De leerling kent woorden: grondwoord, voorvoegsel, achtervoegsel, verkleinwoord, stam, uitgang, infinitief.
De leerlingen kennen zinnen en zinsdelen:
- zin, onderwerp, persoonsvorm, zinsdeel, gezegde;
- soorten zinnen: mededelende zin, vragende zin, uitroepende zin.
De leerling kent zinnen en zinsdelen:
- meewerkend en lijdend voorwerp;
- naamwoordelijk en werkwoordelijk gezegde;
- soorten zinnen: enkelvoudige en samengestelde zinnen, ontkennende zin;
- gebiedende wijs.
De leerlingen kunnen inzichten in het taalsysteem toepassen en erover reflecteren.
De leerling kan inzichten in het taalsysteem toepassen en erover reflecteren.
Taalgebruik en taalwetenschap
De kleuters weten dat taal non-verbale en verbale elementen inhoudt.
De leerlingen kennen enkele taalvariëteiten: dialect, Standaardnederlands.
De leerling kent het uitgebreide communicatiemodel: doel, medium, effect.
De kleuters weten dat er verschillende taalvariëteiten en verschillende talen zijn.
De leerlingen kennen:
- het communicatiemodel: zender, ontvanger, boodschap, kanaal;
- basisregisters: formeel, informeel;
- non-verbale communicatie: intonatie, mimiek, lichaamstaal.
De leerling kent taalvariëteiten: tussentaal, vreemde taal.
De leerlingen kennen de termen jongerentaal en vaktaal.
De leerling weet dat taal wordt beïnvloed door verschillende factoren: plaats en cultuur.
De leerlingen weten dat taal wordt beïnvloed door verschillende factoren: leeftijd en beroep van de gebruiker.
De leerling weet dat informatiebronnen veranderen doorheen de tijd: orale vertelcultuur, schrift, boekdrukkunst, radio, televisie, digitale media.
De leerlingen weten dat taal evolueert doorheen de tijd.
De leerling weet dat het Nederlands tot een taalfamilie behoort.
De leerlingen kunnen basisverschillen tussen formele en informele taal verwoorden.
De leerling weet dat er vreemde talen zijn waarin dezelfde of andere schrifttekens worden gebruikt dan in het Nederlands.
Literatuur
Interactie met literatuur
De kleuters kennen auteur, illustrator, titel, kaft.
De leerlingen kennen personage, hoofdpersonage, thema.
De leerling kent vertelperspectief: ik-verteller.
De kleuters kunnen gedachten of gevoelens verwoorden bij het in contact komen met bekroonde jeugdliteratuur, zowel fictie als non-fictie.
De leerlingen kennen plot: belangrijkste gebeurtenissen.
De leerling kan literaire voorkeuren verwoorden binnen fictie, non-fictie en bekroonde jeugdliteratuur.
De kleuters kunnen een eigen voorkeur tonen voor bepaalde verhalen of personages.
De leerlingen kennen context: tijd en plaats.
De leerling kan zelfgekozen bekroonde jeugdliteratuur lezen, zowel fictie als non-fictie.
De kleuters kunnen in eigen woorden de kern van een prentenboek navertellen met ondersteuning van beelden of symbolen.
De leerlingen kunnen voor hen geschikte boeken kiezen uit een variatie aan genres, passend bij het leesdoel en de eigen leesvoorkeur.
De leerling kan elementen uit de tekst situeren binnen zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis.
De leerlingen kunnen aangereikte en zelfgekozen bekroonde jeugdliteratuur lezen, zowel fictie als non-fictie.
De leerlingen kunnen verwoorden waarom een tekst aanspreekt.
De leerlingen kunnen verbanden leggen tussen elementen uit de tekst en emoties en gedachten tijdens het lezen van de tekst.
De leerlingen kunnen complexere verhaallijnen navertellen.
Creatieve expressie in taal
De kleuters kunnen experimenteren met taal en verhalen via spreken, tekenen en eenvoudige spelvormen.
De leerlingen kunnen op basis van voorbeelden een eigen talige creatie maken.
De leerling kan een eigen talige creatie mondeling of schriftelijk presenteren.