Ga verder naar de inhoud
Ga verder naar de inhoud

Dit onderdeel geeft de Vlaamse minimumdoelen voor Nederlands weer. Minimumdoelen leggen nauwkeurig de inhoud en de opbouw van leerinhouden vast. Ze zijn rechtstreeks onderwijsbaar en apart evalueerbaar. 

De minimumdoelen voor Nederlands beschrijven de leerinhouden die leerlingen binnen de taaldomeinen 'lezen', 'schrijven', 'mondeling taalgebruik', 'taalsysteem en taalgebruik' en 'literatuur' moeten verwerven. 

Hoewel dit onderdeel alleen de minimumdoelen voor Nederlands weergeeft, steunen de eerder beschreven dimensies van taalcompetentie ook op de leerinhouden uit de andere vakdisciplines (Aardrijkskunde, Geschiedenis, ICT, Lichamelijke opvoeding, Muzische vorming, Wetenschappen en techniek, Wiskunde) en op leerinhouden binnen persoonsvorming, sociale vorming, leren leren en leerondersteunende vaardigheden. Samen vormen deze leerinhouden het fundament dat ervoor zorgt dat leerlingen taal optimaal en doelgericht kunnen gebruiken. 

Lezen

Vlot en vloeiend lezen

1.1.1 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen rijm herkennen, rijmwoorden bedenken en woorden in klankgroepen verdelen (fonologisch bewustzijn).

1.1.1 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen woorden lezen met behulp van inzicht in de morfologische opbouw.

1.1.1 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan onbekende woorden lezen met behulp van inzicht in de morfologische opbouw en kennis van leenwoorden.

1.1.2 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen een bepaalde klank in gesproken woorden op verschillende posities herkennen (fonemisch bewustzijn).

1.1.2 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen accuraat en geautomatiseerd lezen (vlot lezen).

1.1.2 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan teksten expressief lezen.

1.1.3 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen een variatie aan klanken in mk-, km- en mkm-woorden onderscheiden (fonemisch bewustzijn).

1.1.3 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen teksten accuraat, met gepast tempo en met intonatie lezen (vloeiend lezen).

1.1.4 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen minimum 15 letters (korte, lange, tweetekenklinkers en medeklinkers) herkennen door de bijbehorende klank uit te spreken (klanktekenkoppeling).

1.1.4 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen teksten en boeken lezen met aandacht en doorzettingsvermogen.

Tekstbegrip

1.1.5 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen de betekenis van eenvoudige visuele boodschappen begrijpen.

1.1.5 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen expliciet vermelde informatie in teksten weergeven.

1.1.3 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan expliciete en impliciete informatie uit een tekst combineren om tot een logische conclusie te komen.

1.1.6 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen expliciete informatie over de situatie, de gevoelens, de personages en perspectiefname uit voorgelezen teksten halen.

1.1.6 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen informatie uit een tekst combineren om tot een logische conclusie te komen.

1.1.4 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan verbanden leggen tussen teksten en zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis.

1.1.7 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen expliciete verbanden binnen een tekst verwoorden: oorzaak, gevolg, probleem en oplossing.

1.1.7 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen verbanden leggen tussen teksten en hun vakspecifieke kennis en voorkennis.

1.1.5 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan vergelijken hoe verschillende auteurs denken over eenzelfde onderwerp.

1.1.8 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen verbanden leggen tussen voorgelezen teksten en hun vakspecifieke kennis en voorkennis.

1.1.8 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen beoordelen of de titel bij de tekst past.

1.1.6 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan beoordelen hoe een tekst zijn/haar standpunt wel of niet beïnvloedt.

1.1.9 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen de belangrijkste gebeurtenissen uit een verhaallijn in eigen woorden navertellen.

1.1.9 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen verwoorden hoe de auteur denkt over het onderwerp van de tekst.

1.1.7 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan zich oriënteren op het lezen, tot leesbegrip komen en het lezen bijsturen door indien nodig relevante leesstrategieën te selecteren en te gebruiken.

1.1.10 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen verwoorden hoe een tekst aansluit bij het leesdoel.

1.1.11 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen zich oriënteren op het lezen, tot begrip komen en het lezen bijsturen door aangeleerde leesstrategieën te gebruiken.

Tekstsoorten en tekstconventies

1.1.10 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen tonen dat ze de volgende tekstconventies begrijpen: inzicht in leesrichting, onderscheid tekst en beeld, congruentie tussen tekst en beeld.

1.1.12 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen tonen dat ze de volgende tekstconventies begrijpen: gebruik van interpunctie, hoofdletters, structuuraanduiders (verwijs-, verbindings- en signaalwoorden), titels, tussentitels en alinea's.

1.1.8 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan tonen dat hij/zij de volgende tekstconventies begrijpt: index, inhoudsopgave, legende, tabellen en figuren.

1.1.11 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen tonen dat teksten een doel hebben: iets onthouden, iets doen, genieten.

1.1.13 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen tonen dat ze doelen van teksten herkennen aan de hand van tekstkenmerken.

1.1.9 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan doelen van teksten analyseren aan de hand van tekstkenmerken.

Schrijven

Handschrift en digitale vaardigheden

1.2.1 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen een dynamische pengreep hanteren.

1.2.1 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen letters, woorden en zinnen schrijven tussen de grondlijn en hulplijnen.

1.2.1 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan vlot en regelmatig zonder hulplijnen schrijven op een enkele grondlijn.

1.2.2 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen in een correcte schrijfhouding zitten.

1.2.2 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen kleine letters, hoofdletters, cijfers, reken- en leestekens volgens een correcte route schrijven binnen een volledige liniatuur.

1.2.2 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan het schrijftempo en de vormgevingskwaliteit op elkaar afstemmen.

1.2.3 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen rechte en gebogen lijnen maken binnen liniatuur.

1.2.3 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen een regelmatig handschrift hanteren met de juiste spatiëring binnen en tussen woorden.

1.2.3 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan een digitale tekst schrijven.

1.2.4 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen schrijfpatronen maken binnen liniatuur.

1.2.4 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen de kantlijn en witruimtes hanteren in schriften.

1.2.5 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen egaal binnen de lijntjes kleuren.

1.2.6 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen arceren met rechte lijnen.

1.2.7 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen de schrijfrichting hanteren.

Correct schrijven

1.2.5 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen de volgende categorieën van woorden spellen:
- woorden met een hoofdletter: persoonsnamen, titels van boeken en films, aardrijkskundige namen, feestdagen, talen en taalvariëteiten;
- woorden met gedekte en vrije klinkers in open en gesloten lettergrepen;
- woorden met een doffe klank in: open en onbeklemtoonde lettergrepen; voor- en achtervoegsels; -eren, -elen, -enen; frequente woorden;
- woorden met tweetekenklanken: ei, ij, ou, au, eu, ui;
- woorden met lettergroepen: aai, oei, ooi, eeuw, ieuw;
- woorden met meerdere medeklinkers vooraan, in het midden, en achteraan;
- woorden met medeklinkers eindigend op -b, -p, -d, -t, -g;
- woorden met -ng en -nk;
- woorden met -ch/-g;
- meervouden op -s, 's, -en, -eren;
- verkleinwoorden op -je, -tje, -etje, -pje, -kje.

1.2.4 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan de volgende categorieën van woorden spellen:

- woorden met hoofdletters: afleidingen van aardrijkskundige namen, namen van historische gebeurtenissen, namen van bedrijven, gebouwen en merken;
- woorden die anders uitgesproken worden dan geschreven;
- woorden met vrije klinkers ee, o, u, ie, i, oe, ai, in een open of gesloten lettergreep;
- woorden met de achtervoegsels -isch(e), -air(e), -iaal, -eaal, -ueel, -ieel;
- vakspecifieke woorden uit het Latijn of Grieks;
- onregelmatige verkleinwoorden;
- meervouden op -ie en -ee;
- afwijkende meervouden;
- frequent gebruikte afkortingen, initiaalwoorden en letterwoorden;
- frequent gebruikte woorden met koppelteken, apostrof, trema en accent.

1.2.6 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen spellingregels bij werkwoorden in de tegenwoordige tijd toepassen.

1.2.5 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan spellingregels toepassen bij frequente werkwoorden in tegenwoordige, verleden, voltooide en toekomende tijd.

1.2.7 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen zwakke en sterke werkwoorden in de (on)voltooid verleden tijd spellen.

1.2.6 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan samengestelde zinnen en teksten schrijven met aandacht voor zinsstructuur, gebruik van hoofdletters en interpunctie.

1.2.8 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen zinnen en teksten schrijven met aandacht voor zinsstructuur, gebruik van hoofdletters en interpunctie.

Schrijven om te leren

1.2.8 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen door middel van tekenen, krabbels, symbolen, letter- of cijfervormen ideeën of gebeurtenissen vastleggen.

1.2.9 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen kernwoorden, schema's of eenvoudige lijstjes noteren om teksten of mondelinge informatie uit vakdisciplines te onthouden of te ordenen.

1.2.7 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan het kernidee van teksten of mondelinge informatie uit vakdisciplines in eigen woorden formuleren.

1.2.10 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen teksten of mondelinge informatie uit vakdisciplines samenvatten in korte zinnen.

1.2.8 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan een samenvatting schrijven met een kernidee, argumenten en relevante details.

1.2.9 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan bij vakdisciplines gestructureerde aantekeningen maken met kernwoorden.

Schrijven om te delen

1.2.9 Kleuteronderwijs

De kleuters kennen de functie van schriftelijke taal om te informeren of te communiceren.

1.2.11 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen met behulp van enkele gepaste tekstkenmerken specifieke teksten formuleren.

1.2.10 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan met behulp van enkele gepaste tekstkenmerken specifieke teksten formuleren.

1.2.10 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen ideeën aanbrengen voor een tekst vanuit aangeboden inhouden, eigen ervaringen of creatieve ideeën.

1.2.12 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen bedenken wat de inhoud van een tekst kan zijn en hiervoor gebruikmaken van hun vakspecifieke kennis en voorkennis.

1.2.11 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan bedenken wat de inhoud van een tekst kan zijn en hiervoor gebruikmaken van zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis en relevante strategieën: brainstorm, vragen stellen en associëren.

1.2.13 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen ideeën verzamelen en ordenen voor een tekst via een woordspin of schema.

1.2.12 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan ideeën verzamelen en ordenen voor een tekst en hierbij indien relevant een plan of structuur opstellen.

1.2.14 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen teksten schrijven met aandacht voor gepaste inhoud.

1.2.13 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan teksten schrijven met aandacht voor gepaste en samenhangende inhoud.

1.2.15 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen structuur in een tekst aanbrengen: begin, midden en slot.

1.2.14 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan een herkenbare en eenvoudige structuur aanbrengen in teksten met inbegrip van titels, tussentitels, alinea's en structuuraanduiders (verwijs-, verbindings- en signaalwoorden).

1.2.16 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen teksten schrijven met aandacht voor woordkeuze en zinsconstructies afgestemd op het beoogde publiek.

1.2.15 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan een doelgerichte formulering hanteren met variatie in zinsbouw en gepaste woordkeuze met gebruik van figuurlijk taalgebruik en een gepast register afgestemd op het beoogde publiek.

1.2.17 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen teksten schrijven met een verzorgde tekstopmaak aangepast aan het tekstdoel.

1.2.16 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan kritisch reflecteren op teksten en ze op aanwijzing herschrijven.

1.2.18 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen teksten herlezen en op aanwijzing herschrijven.

1.2.17 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan teksten schrijven met een verzorgde (digitale) tekstopmaak in functie van verzenden of publiceren.

1.2.19 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen teksten schrijven met aandacht en doorzettingsvermogen.

1.2.18 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan het schrijfproces met aandacht en doorzettingsvermogen doorlopen.

Mondeling taalgebruik

Luisterbegrip

1.3.1 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen met aandacht luisteren.

1.3.1 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen expliciet vermelde informatie in teksten weergeven.

1.3.1 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan expliciete en impliciete informatie uit een tekst combineren om tot een logische conclusie te komen.

1.3.2 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen gepast reageren op vragen en instructies.

1.3.2 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen informatie uit een tekst combineren om tot een logische conclusie te komen.

1.3.2 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan verbanden leggen tussen teksten en zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis.

1.3.3 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen vragen stellen om meer informatie te krijgen en om te controleren of ze de boodschap begrepen hebben.

1.3.3 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen verbanden leggen tussen teksten en hun vakspecifieke kennis en voorkennis.

1.3.3 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan vergelijken hoe verschillende auteurs denken over eenzelfde onderwerp.

1.3.4 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen op een voorgelezen verhaal reageren door voorspellingen te maken, vragen te stellen of verbanden te leggen met hun vakspecifieke kennis en voorkennis.

1.3.4 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen verwoorden hoe de auteur denkt over het onderwerp van de tekst.

1.3.4 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan beoordelen hoe een tekst zijn/haar standpunt wel of niet beïnvloedt.

1.3.5 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen verwoorden hoe een tekst aansluit bij het luisterdoel.

Spreken, presenteren en vertellen

1.3.5 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen verstaanbaar spreken met aandacht voor uitspraak van klanken, klankcombinaties en volume.

1.3.6 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen voorafgaand aan het vertellen en presenteren inhoud verzamelen en structureren onder begeleiding.

1.3.5 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan bij het spreken gepaste woordkeuze en complexere zinsconstructies gebruiken.

1.3.6 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen bij het spreken mededelende, vragende en samengestelde zinnen hanteren.

1.3.7 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen verstaanbaar spreken met aandacht voor uitspraak van het Standaardnederlands en zinsaccent.

1.3.6 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan ideeën, gedachten en verworven inzichten gestructureerd formuleren.

1.3.7 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen gedachten en gebeurtenissen formuleren met een aanzet tot volgorde en tonen hierbij een aanzet tot het gebruik van structuuraanduiders (verwijs-, verbindings- en signaalwoorden).

1.3.8 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen bij het spreken gepaste woordkeuze en correcte zinsconstructies gebruiken.

1.3.7 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan meningen beargumenteren op basis van zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis.

1.3.8 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen in een vertrouwde omgeving over een zelfgekozen onderwerp vertellen.

1.3.9 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen ideeën, gedachten en verworven inzichten samenhangend formuleren.

1.3.8 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan voorafgaand aan het vertellen en presenteren inhoud verzamelen en structureren op basis van zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis.

1.3.10 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen meningen met argumenten onderbouwen op basis van hun vakspecifieke kennis en voorkennis.

1.3.9 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan bij het vertellen en presenteren een gepaste expressie en gepast register gebruiken.

1.3.11 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen bij het vertellen of presenteren afstemmen op het spreekdoel en het publiek.

1.3.12 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen bij het vertellen of presenteren gebruik maken van hulpmiddelen wanneer die de boodschap ondersteunen.

1.3.13 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen het spreken en presenteren op aanwijzing verbeteren.

Mondelinge interactievaardigheden

1.3.9 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen actief deelnemen aan mondelinge interactievormen zoals kringgesprekken, samen spelen, gesprekken met gekende volwassenen en hierbij de volgende interactiestrategieën toepassen:
- op een gepaste manier het woord nemen en vragen;
- elkaar laten uitspreken;
- inspelen op wat anderen zeggen;
- standaardformules gebruiken bij het groeten, aanspreken, bedanken en vragen.

1.3.14 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen doelgericht deelnemen aan mondelinge interactievormen zoals dialoog, discussie en groepsgesprek en hierbij de volgende interactiestrategieën toepassen:
- inspelen op de inbreng van de gesprekspartner(s);
- informatie, argument of mening in het gesprek inbrengen.

1.3.10 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan doelgericht en genuanceerd deelnemen aan mondelinge interactievormen zoals dialoog, discussie en groepsgesprek en hierbij de volgende interactiestrategieën toepassen:
- voortbouwen op andermans ideeën;
- verbanden leggen tussen verschillende standpunten;
- argumenten bevragen en nuanceren;
- met ondersteuning tot een conclusie komen.

Taalsysteem en taalgebruik

Woordenschat

1.4.1 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen basiswoordenschat en eenvoudige betekenisrelaties inzetten met betrekking tot de leefomgeving en de school.

1.4.1 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kennen woordvorming: samenstellingen, afleidingen.

1.4.1 Lager onderwijs 5-6

De leerling kent basisprincipes van betekenisrelaties: hyponiemen.

1.4.2 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen aangeboden inhoudelijke en functionele school- en instructietaal inzetten binnen de context van de activiteiten en hun vakspecifieke kennis, voorkennis en ervaring.

1.4.2 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kennen basisprincipes van betekenisrelaties: synoniemen, antoniemen en trappen van vergelijking.

1.4.2 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan formeel en informeel taalgebruik conform de context inzetten.

1.4.3 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen onder begeleiding hun woordenschat uitbreiden.

1.4.3 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kennen figuurlijk taalgebruik.

1.4.3 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan woorden genuanceerd en gepast inzetten met steeds hogere abstractiegraad en figuurlijk taalgebruik.

1.4.4 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen woorden genuanceerd en gepast inzetten.

1.4.4 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan actief op zoek gaan naar nieuwe woordbetekenissen en -relaties door gebruik te maken van woordleerstrategieën:
- vreemdetalenkennis inzetten;
- hulpbron inzetten.

1.4.5 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen aangeboden school-, instructie- en vaktaal hanteren in de vakdisciplines.

1.4.6 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen nieuwe woordbetekenissen en -relaties achterhalen uit gesproken en geschreven contexten door gebruik te maken van woordleerstrategieën:
- om verduidelijking vragen;
- belang van het woord in de tekst nagaan;
- vergelijken met een bekend woord;
- de context inzetten;
- de woordopbouw analyseren.

Taalsysteem (klanken, spelling, grammatica)

1.4.4 Kleuteronderwijs

De kleuters kennen woord, woorddeel, klankgroep, rijm, klank, letter.

1.4.7 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kennen klanken: korte, lange, tweetekenklinkers, medeklinkers en uitspraak.

1.4.5 Lager onderwijs 5-6

De leerling kent spelling:
- interpunctietekens: dubbele aanhalingstekens, haakjes;
- woordtekens: trema, koppelteken, apostrof, accent, soorten afkortingen.

1.4.5 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen basiselementen van het taalsysteem toepassen in taal(spel): klanken, klankgroepen, rijm, letter- en cijfersymbolen, klanktekenkoppeling, woorden.

1.4.8 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kennen spelling:
- klanktekenkoppeling, letters, alfabetisch principe;
- interpunctietekens: punt, vraagteken, uitroepteken, komma, dubbele punt, spatie.

1.4.6 Lager onderwijs 5-6

De leerling kent woorden:
- woordsoorten: voornaamwoord;
- werkwoordtijden: toekomende tijd, voltooid deelwoord.

1.4.9 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kennen woorden:
- woordvorming: enkelvoud, meervoud en verbuiging, vervoeging, samenstelling, afleiding;
- woordsoorten: zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, lidwoord, telwoord, voorzetsel, voegwoord, werkwoord;
- werkwoordstijden: tegenwoordige tijd, verleden tijd.

1.4.7 Lager onderwijs 5-6

De leerling kent woorden: grondwoord, voorvoegsel, achtervoegsel, verkleinwoord, stam, uitgang, infinitief.

1.4.10 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kennen zinnen en zinsdelen:
- zin, onderwerp, persoonsvorm, zinsdeel, gezegde;
- soorten zinnen: mededelende zin, vragende zin, uitroepende zin.

1.4.8 Lager onderwijs 5-6

De leerling kent zinnen en zinsdelen:
- meewerkend en lijdend voorwerp;
- naamwoordelijk en werkwoordelijk gezegde;
- soorten zinnen: enkelvoudige en samengestelde zinnen, ontkennende zin;
- gebiedende wijs.

1.4.11 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen inzichten in het taalsysteem toepassen en erover reflecteren.

1.4.9 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan inzichten in het taalsysteem toepassen en erover reflecteren.

Taalgebruik en taalwetenschap

1.4.6 Kleuteronderwijs

De kleuters weten dat taal non-verbale en verbale elementen inhoudt.

1.4.12 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kennen enkele taalvariëteiten: dialect, Standaardnederlands.

1.4.10 Lager onderwijs 5-6

De leerling kent het uitgebreide communicatiemodel: doel, medium, effect.

1.4.7 Kleuteronderwijs

De kleuters weten dat er verschillende taalvariëteiten en verschillende talen zijn.

1.4.13 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kennen:
- het communicatiemodel: zender, ontvanger, boodschap, kanaal;
- basisregisters: formeel, informeel;
- non-verbale communicatie: intonatie, mimiek, lichaamstaal.

1.4.11 Lager onderwijs 5-6

De leerling kent taalvariëteiten: tussentaal, vreemde taal.

1.4.14 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kennen de termen jongerentaal en vaktaal.

1.4.12 Lager onderwijs 5-6

De leerling weet dat taal wordt beïnvloed door verschillende factoren: plaats en cultuur.

1.4.15 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen weten dat taal wordt beïnvloed door verschillende factoren: leeftijd en beroep van de gebruiker.

1.4.13 Lager onderwijs 5-6

De leerling weet dat informatiebronnen veranderen doorheen de tijd: orale vertelcultuur, schrift, boekdrukkunst, radio, televisie, digitale media.

1.4.16 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen weten dat taal evolueert doorheen de tijd.

1.4.14 Lager onderwijs 5-6

De leerling weet dat het Nederlands tot een taalfamilie behoort.

1.4.17 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen basisverschillen tussen formele en informele taal verwoorden.

1.4.15 Lager onderwijs 5-6

De leerling weet dat er vreemde talen zijn waarin dezelfde of andere schrifttekens worden gebruikt dan in het Nederlands.

Literatuur

Interactie met literatuur

1.5.1 Kleuteronderwijs

De kleuters kennen auteur, illustrator, titel, kaft.

1.5.1 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kennen personage, hoofdpersonage, thema.

1.5.1 Lager onderwijs 5-6

De leerling kent vertelperspectief: ik-verteller.

1.5.2 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen gedachten of gevoelens verwoorden bij het in contact komen met bekroonde jeugdliteratuur, zowel fictie als non-fictie.

1.5.2 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kennen plot: belangrijkste gebeurtenissen.

1.5.2 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan literaire voorkeuren verwoorden binnen fictie, non-fictie en bekroonde jeugdliteratuur.

1.5.3 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen een eigen voorkeur tonen voor bepaalde verhalen of personages.

1.5.3 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kennen context: tijd en plaats.

1.5.3 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan zelfgekozen bekroonde jeugdliteratuur lezen, zowel fictie als non-fictie.

1.5.4 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen in eigen woorden de kern van een prentenboek navertellen met ondersteuning van beelden of symbolen.

1.5.4 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen voor hen geschikte boeken kiezen uit een variatie aan genres, passend bij het leesdoel en de eigen leesvoorkeur.

1.5.4 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan elementen uit de tekst situeren binnen zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis.

1.5.5 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen aangereikte en zelfgekozen bekroonde jeugdliteratuur lezen, zowel fictie als non-fictie.

1.5.6 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen verwoorden waarom een tekst aanspreekt.

1.5.7 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen verbanden leggen tussen elementen uit de tekst en emoties en gedachten tijdens het lezen van de tekst.

1.5.8 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen complexere verhaallijnen navertellen.

Creatieve expressie in taal

1.5.5 Kleuteronderwijs

De kleuters kunnen experimenteren met taal en verhalen via spreken, tekenen en eenvoudige spelvormen.

1.5.9 Lager onderwijs 1-4

De leerlingen kunnen op basis van voorbeelden een eigen talige creatie maken.

1.5.5 Lager onderwijs 5-6

De leerling kan een eigen talige creatie mondeling of schriftelijk presenteren.