Ga verder naar de inhoud
Ga verder naar de inhoud

Ba­sis­han­de­lin­gen voor sterk taal­on­der­wijs in het kleu­ter­on­der­wijs en lager onderwijs

In dit onderdeel zijn de uitgangspunten voor sterk taalonderwijs vertaald naar concrete basishandelingen voor leraren. Daarnaast bevat de tabel basishandelingen voor monitoring en opvolging. Samen bieden ze leraren houvast om doelgericht te werken aan de ontwikkeling van de taalcompetentie van hun leerlingen. 

Kwaliteitsvolle mondelinge interactie

Kleuteronderwijs

  • Bied een rijk mondeling taalaanbod.
  • Geef kleuters de ruimte om actief te spreken en te oefenen, hou bij wie aan bod komt en geef bewust het woord aan kleuters die minder spontaan spreken.
  • Geef gerichte feedback op wat kleuters zeggen en bouw daarop voort, zodat zij meteen horen wat goed is en wat nog moet worden bijgestuurd.

Lager onderwijs (leerjaar 1-6)

  • Bied een rijk mondeling taalaanbod.
  • Geef leerlingen de ruimte om actief te spreken en te oefenen, hou bij wie aan bod komt en geef bewust het woord aan leerlingen die minder spontaan spreken.
  • Geef gerichte feedback op wat leerlingen zeggen en bouw daarop voort, zodat zij meteen horen wat goed is en wat nog moet worden bijgestuurd.

Rijke, samenhangende en betekenisvolle contexten voor taalontwikkeling

Kleuteronderwijs

  • Werk vanuit kennisrijke thema’s die kleuters nieuwe wereldkennis en woordenschat geven.
  • Activeer relevante voorkennis en help kleuters om nieuwe woorden en kennis te verbinden met wat ze al weten.
  • Voorzie korte, doelgerichte activiteiten (bv. een ontdektafel met echte voorwerpen of een eenvoudig experiment) zodat je nieuwe wereldkennis en woordenschat kunt aanbrengen.

Lager onderwijs (leerjaar 1-6)

  • Werk vanuit kennisrijke onderwerpen en rijke teksten waarmee leerlingen hun kennis van de wereld, woordenschat en taalvaardigheid in samenhang uitbreiden.
  • Activeer relevante voorkennis en help leerlingen om nieuwe woorden en kennis te verbinden met wat ze al weten.
  • Werk geïntegreerd door spreken, luisteren, lezen en schrijven met elkaar te verbinden. Zoom, waar nodig, kort in op een taalaspect, maar ook weer tijdig uit zodat de leerlingen taal in betekenisvolle en kennisrijke situaties blijven gebruiken.

Actieve taalverwerving en -verwerking

Kleuteronderwijs

  • Laat kleuters actief taal en kennis verwerven, gebruiken en verwerken door hen veel te laten verwoorden, reageren, vertellen, verklaren en uitproberen.
  • Sluit aan bij wat de kleuters al kunnen en bouw stap voor stap verder, zodat elke oefening uitdagend maar haalbaar blijft.

Lager onderwijs (leerjaar 1-6)

  • Laat leerlingen actief taal en kennis verwerven, gebruiken en verwerken door hen actief taal te laten produceren (bv. verwoorden, verklaren, vergelijken, samenvatten, vragen stellen, redeneren, toepassen, enz.).
  • Bouw voort op wat leerlingen al kennen en kunnen, en verbind nieuwe kennis, taal en vaardigheden expliciet met wat ze eerder leerden.
  • Laat leerlingen nieuwe taal, kennis en vaardigheden toepassen in verschillende activiteiten, contexten en leergebieden.

Interactief voorlezen, lezen en schrijven

Kleuteronderwijs

  • Lees regelmatig voor en betrek kleuters actief bij het verhaal door samen te voorspellen, te reageren, verbanden te leggen en over de inhoud te praten.
  • Stimuleer actief een lees- en boekencultuur.
  • Maak zichtbaar hoe geschreven taal werkt en hoe je die kunt gebruiken.

Lager onderwijs (leerjaar 1-6)

  • Voorzie dagelijks tijd om rijke teksten voor te lezen, samen met leerlingen te lezen en leerlingen zelf te laten lezen. Bespreek teksten voor, tijdens en na het lezen om het tekstbegrip te verdiepen.
  • Stimuleer actief een lees- en boekencultuur.
  • Bied leerlingen dagelijks kansen om te schrijven voor betekenisvolle doelen en begeleid hen bij het bedenken, formuleren, herlezen en herwerken van hun tekst.
  • Modelleer lees- en schrijfprocessen en maak zichtbaar hoe je een tekst begrijpt, opbouwt en verbetert.

Woordenschat en kennis in betekenisvolle netwerken

Kleuteronderwijs

  • Selecteer bewust nieuwe woorden en bied ze herhaald aan in betekenisvolle netwerken.
  • Leg verbanden tussen woorden, betekenissen en kennis, zodat de kleuters een rijk woord- en kennisnetwerk opbouwen.

Lager onderwijs (leerjaar 1-6)

  • Selecteer bewust nieuwe woorden en bied ze herhaald aan in betekenisvolle netwerken.
  • Leg verbanden tussen woorden, betekenissen en kennis, zodat de leerlingen een rijk woord- en kennisnetwerk opbouwen.
  • Besteed expliciet aandacht aan begrip en gebruik van school- en vaktaal.

Expliciete instructie en voldoende en gevarieerde oefenkansen

Kleuteronderwijs

  • Geef expliciete instructie: maak duidelijk wat kleuters leren, doe voor en denk hardop, oefen samen en laat hen daarna steeds zelfstandiger oefenen.
  • Voorzie voldoende en gevarieerde oefenkansen en laat belangrijke kennis en vaardigheden regelmatig terugkomen in verschillende situaties.

Lager onderwijs (leerjaar 1-6)

  • Geef expliciete instructie: maak duidelijk wat leerlingen leren, modelleer de aanpak stap voor stap en begeleid leerlingen bij het inoefenen en steeds zelfstandiger toepassen van nieuwe kennis en vaardigheden.
  • Voorzie voldoende en gevarieerde oefenkansen waarin leerlingen nieuwe en eerder geleerde kennis en vaardigheden doelgericht en gespreid inoefenen, en laat hen door herhaling automatiseren wat ze vlot en accuraat moeten kunnen toepassen.
  • Maak expliciet welke strategieën en aanpakken bruikbaar zijn voor verschillende taalactiviteiten en begeleid leerlingen bij het steeds zelfstandiger en doelgerichter inzetten ervan.

Gerichte taalondersteuning tijdens het taalleerproces

Kleuteronderwijs

  • Verwoord hardop wat je doet, ziet of denkt, zodat kleuters begrijpen hoe ze zelf te werk kunnen gaan.
  • Stem je taalondersteuning af op wat de kleuters nodig hebben, en bouw die ondersteuning geleidelijk af naarmate de kleuters zelfstandiger worden.
  • Gebruik extra visuele ondersteuning (prenten, voorwerpen, uitbeelden) om taal te verduidelijken en te versterken.

Lager onderwijs (leerjaar 1-6)

  • Modelleer hoe je taal gebruikt: maak door voordoen en hardop denken zichtbaar welke stappen en strategieën je gebruikt, zodat leerlingen die steeds zelfstandiger kunnen toepassen.
  • Stem je taalondersteuning af op wat de leerlingen nodig hebben, en bouw die ondersteuning geleidelijk af naarmate de leerlingen zelfstandiger worden.
  • Bied relevante hulpmiddelen zoals voorbeelden, schema's en stappenplannen aan, en leer leerlingen die doelgericht gebruiken.

Een veilig en motiverend taalleerklimaat

Kleuteronderwijs

  • Maak taal overal zichtbaar en bereikbaar (boeken, letters, pictogrammen), zodat elke klashoek uitnodigt tot praten en ontdekken.
  • Creëer een klimaat waarin alle kleuters zich veilig voelen om taal te gebruiken, fouten te maken en initiatief te nemen, en erken en waardeer daarbij de talige en culturele achtergrond van kleuters.

Lager onderwijs (leerjaar 1-6)

  • Zorg voor een rijke taalleeromgeving waarin leerlingen worden uitgenodigd om te lezen, te schrijven en met elkaar in gesprek te gaan.
  • Creëer een klimaat waarin alle leerlingen zich veilig voelen om taal te gebruiken, fouten te maken en initiatief te nemen, en erken en waardeer daarbij de talige en culturele achtergrond van leerlingen.

Monitoring en opvolging

Kleuteronderwijs

  • Observeer en volg systematisch in welke mate kleuters de leerdoelen beheersen en welke voortgang ze maken.
  • Gebruik informatie over de voortgang van de kleuters, stem je onderwijs erop af en stuur je onderwijsaanpak waar nodig bij.
  • Gebruik het meerlagig ondersteuningsmodel om extra ondersteuning stapsgewijs te intensiveren of af te bouwen, afhankelijk van de voortgang van de kleuter.
  • Evalueer regelmatig de voortgang van de kleuter en het effect van de geboden ondersteuning. Stuur de ondersteuning bij wanneer dat nodig is.

Lager onderwijs (leerjaar 1-6)

  • Volg, op basis van verschillende informatiebronnen (bv. observaties, uitgevoerde activiteiten en opdrachten, en toetsresultaten), systematisch in welke mate leerlingen de leerdoelen beheersen en welke voortgang ze maken.
  • Gebruik informatie over de voortgang van leerlingen, stem je onderwijs erop af en stuur je onderwijsaanpak waar nodig bij.
  • Gebruik het meerlagig ondersteuningsmodel om ondersteuning stapsgewijs te intensiveren of af te bouwen, afhankelijk van de voortgang van de leerling.
  • Evalueer regelmatig de voortgang van leerlingen en ga na of de geboden ondersteuning effect heeft. Stuur de ondersteuning bij wanneer dat nodig is.